4702
 
christenen ondertekenden het manifest
 
 
 

De prijs van eenheid


Arnold van Heusden


Het was najaar, er woei een stevige bries op de Atlantische Oceaan en het studentenschip waarmee ik onderweg was stampte vervaarlijk. Ik zat in het restaurant, maar er werden geen drankjes geserveerd – die zouden toch niet in de glazen blijven zitten. Ik las Mere Christianity het christelijk ABC van C.S. Lewis. De titel van mijn boek trok de aandacht van een jonge Amerikaanse en we raakten in gesprek. Dat gesprek duurde – met onderbrekingen – zeven dagen. Toen hadden we alles doorgesproken wat haar de afgelopen jaren had bezig gehouden – vragen uit haar studie en uit de moderne wereld. Carey kwam uit een kleine, geïsoleerde gemeenschap in het zuiden van de Verenigde Staten. Het gezin was niet kerkelijk en zij was geen christen. Aan het einde van die gesprekken is ze naar haar hut gegaan, en toen ik haar de volgende morgen aan het ontbijt weer sprak straalde ze. Niet zomaar, ze zag eruit alsof ze een lamp had ingeslikt – het licht kwam van binnenuit. Ik herinner mij, na jaren, de diepe verbondenheid die ik met haar prille geloof voelde. Zelf nog niet zo lang bewust gelovig, en opgetogen over het nieuwe leven dat ik in Jezus had gekregen ervoer ik een verbinding die veel sterker was dan het gevoel wat je kunt hebben als je het met iemand ergens over eens bent of als je dezelfde plannen hebt.
Toen ik in New York aan land ging, en op de lange reizen en de vele jaren daarna is dat feest van herkenning gebleven: ik kwam in steeds nieuwe staten en provincies, steden en dorpen mensen tegen die dezelfde Heer en dezelfde Geest hadden en waaraan je dat soms ogenblikkelijk en soms na korte tijd kon merken. De eenheid van het Lichaam van Christus bestaat als een heilige, kostbare werkelijkheid en contact met christenen uit allerlei achtergronden geeft er een reliëf en kleur aan die vaak nog groter zijn dan de eenheid die je kunt beleven met medechristenen in eigen kerk en kring.
Aan die feitelijke eenheid van christenen heb ik nooit getwijfeld – en dat is maar goed ook.

Want er zijn ook andere verhalen ... Wie een leven lang bij de kerk betrokken is, zal het meemaken dat hij schouder aan schouder werkt met mensen waarmee hij absoluut geen klik ervaart, met wie vaak onbegrip, wrijving en gebrek aan herkenning aan de orde van de dag zijn, zodat zelfs een kleine mate van eenheid en samenwerking veel gezamenlijke inspanning en wederzijdse goede wil vraagt. Zeker, de basis van een gemeenschappelijk belijden – en soms zelfs beleven – is er dan wel. Maar daar houdt het dan ook vaak meteen op. De eenheid die beleden wordt leidt niet tot een echte dynamiek van gemeenschap, gezamenlijkheid. Ook dat kan gebeuren, ook dat is realiteit.

In de evangelische beweging is vanouds grote nadruk gelegd op de geestelijke eenheid van alle ware gelovigen. Die eenheid – en een eenvoudige geloofsbelijdenis die in wezen niet veel afwijkt van het Apostolicum – zijn vanaf de oprichting van de Evangelische Alliantie in Londen, nu al meer dan honderdzestig jaar geleden (1846), voldoende basis geweest voor veel zending, evangelisatie, hulpverlening en gemeenteopbouw. De evangelische beweging is gegroeid, niet alleen door de vragen die ze heeft beantwoord maar ook door de vragen die bewust onbeantwoord zijn gelaten. Vanuit het bewustzijn dat kerkgenootschappen en andere geloofsgemeenschappen onderling een sterk verschillende ecclesiologie kunnen hebben. Het wezen en de opdracht van de kerk wordt immers niet door elke kerk op dezelfde wijze verstaan. Juist over dit onderwerp zijn veel gesprekken en ook veel kerkelijke strijd geweest. De evangelische beweging heeft in tal van landen in feite gezegd: ‘Laten wij deze vragen – hoe belangrijk ook – overlaten aan de officiële leiding van ons kerkgenootschap en laat ons, als individuele christenen, de handen ineen slaan om te werken aan de hoofdtaken van de kerk.’
Vanaf het begin was de evangelische beweging daarmee een stroming die het verschil in ecclesiologie wel serieus wenste te nemen, maar zich er niet door liet verlammen en ervoor koos niet af te wachten tot er een eenheid van gedachten was ontstaan over allerlei theologische vragen.
Deze nadruk op eenheid van christenen, met voorbijzien aan de eenheid van kerken of, liever nog: de eenheid van de Kerk, had niet alleen tot gevolg dat het gesprek over het wezen van de Kerk tussen allerlei evangelische kerken niet of nauwelijks werd gevoerd. Er waren ook een groot aantal evangelische kerken die zélf over de identiteit van de kerk wel een aantal speerpunten konden formuleren, maar geen uitgewerkte met de geloofsleer samenhangende overtuigingen en leerstellingen naar buiten brachten. Het is in evangelische kring tot op de dag van vandaag niet ongebruikelijk gemeenten en grote kerkgenootschappen tegen te komen die geen uitgewerkte geloofsleer hebben en dus ook geen leer omtrent het wezen of de eenheid van de Kerk.

Dit is het moment om duidelijk naar voren te brengen dat de evangelische beweging natuurlijk overal veel groter is dan de optelsom van de vele nieuwe, vrije gemeenten die in alle landen te vinden zijn. Van oudsher was ze, in Engeland en op het Europese continent, een beweging binnen de grote kerken zoals The Church of England en allerlei Lutherse en Calvinistische kerken. Dat is nog altijd het geval. Wie in het oog houdt dat de evangelische beweging een vernieuwingsbeweging was tegen de doodsheid van het liberalisme in het midden van de negentiende eeuw kan begrijpen hoe vooral de revival van het persoonlijk geloof, de vernieuwing van de toewijding aan Christus en zijn Kerk en het ernst maken met de opdracht van hulpverlening dichtbij en zending veraf dragende thema’s waren die de gehele Kerk aanspraken. Het waren vaak de tempoverschillen die er voor zorgden dat de nieuwe beweging niet in z’n geheel binnen de Kerk terecht kwam, maar ‘ook over de rand viel’. Zo werd in het Leger des Heils (en het grote aantal andere legers en legertjes dat tegelijkertijd in Engeland ontstond) niets beweerd of nagestreefd dat geen plek had kunnen krijgen in de grote kerken. Maar de urgentie van de taak en het onvermogen om bekeerlingen, die niet in de kerk geboren waren, een echte plaats te geven binnen de vaak over geïnstitutionaliseerde en geformaliseerde kerken van het Verenigd Koninkrijk, maakte dat de beweging als het ware overstroomde en eigen vormen moest vinden. De vorming van het Leger des Heils en tal van andere kerken in die tijd heeft niet zozeer met scheuring of afscheiding te maken alswel met een vernieuwing, die zich nieuwe vormen zocht en die ondanks herhaalde pogingen in de kerken niet vond.

Heel anders ging dat in Nederland: nieuwsgierig geworden door de berichten over een nieuwe beweging in Engeland reisden de voormannen van het reveil naar Engeland en legden daar contact met de pas opgerichte Evangelische Alliantie. Het nieuwe elan en het enthousiasme dat ze daar vandaan meebrachten, kreeg een plaats in de hoofdstroom van de kerken. Bijbelstudie avonden en bidstonden onder leiding van kopstukken als Groen van Prinsterer, Capadoce en Da Costa kregen een plaats in de mainstream van (vooral) de protestantse kerken. In een kleine brochure van de hand van Groen (1867) lees ik een gepassioneerde oproep aan een gemeente die hij toesprak in Geneve (Groen sprak uitstekend Frans) om ‘te bidden voor Holland, te bidden om een opwekking die de kracht van het herlevend evangelisch geloof moge geven om Holland aan de wereldgezindheid en de vrijblijvendheid te onttrekken’.
In Nederland was de evangelische beweging de eerste 75 jaar stevig verankerd in de ‘gevestigde’ kerken, hoewel ook hier nieuwe geloofsgemeenschappen ontstonden: Vrije Evangelische Gemeenten waren zo’n vernieuwingsbeweging, de Vergadering van Gelovigen, het Leger des Heils en later – in al z’n tientallen schakeringen – de Pinksterbeweging en de charismatische beweging. Het is belangrijk om daar voor onze tijd de migrantenkerken aan toe te voegen. Onder asielzoekers en arbeidsmigranten van de laatste vijftig jaar zijn vooral de islamieten een spraakmakende menigte. Slechts een deel van de Nederlandse christenen is zich ervan bewust dat – volgens cijfers van de Nederlandse Zendingsraad – ongeveer achthonderdduizend/negenhonderdduizend migranten – doorgaans asielzoekers en uit een grote hoeveelheid etnische en culturele achtergronden – tot christelijke kerken behoren. Die kerken vertegenwoordigen een breed spectrum maar zijn in hoofdzaak charismatisch en evangelisch. Het is een van de grote uitdagingen van de hele Kerk om tot een hechter, warmer en vruchtbaarder contact met al die – vaak verborgen en geïsoleerde – gelovigen en geloofgemeenschappen te komen.

Door het beeld dat ik schets wil ik het bewustzijn oproepen dat niet alle evangelische diversiteit verdeeldheid was en is. Maar verdeeldheid is er wel: de Nederlandse kerk is niet alleen verdeeld door de grote kerkscheidingsbewegingen van Doleantie en Afscheiding, vrijmaking en een aantal kleinere scheuringen. Binnen de evangelische beweging – en vooral binnen de Pinksterbeweging – lag vanaf het begin het gevaar van scheuring en scheiding op de loer. Spontaan gevormde nieuwe geloofsgemeenschappen besteedden weinig aandacht aan hun identiteit. Wat begon in nauwelijks georganiseerde spontaniteit eindigde vaak helaas in pijn, verwarring en scheiding.
Al die ontwikkelingen binnen de evangelische beweging hebben zich niet in een isolement afgespeeld. In de negentiende eeuw en tot ver in de vorige eeuw behoorde het overgrote deel van de Nederlandse bevolking tot een kerk: wel tachtig procent. De helft van de rest (veertig procent) behoorde tot de Katholieke Kerk, de andere helft tot de twee of drie grote Protestantse Kerken. Numeriek leek de evangelische beweging een randverschijnsel – en als men alleen let op statistieken was ze dat ook. Maar vanaf de tweede wereldoorlog kwamen grote verschuivingen. De snelle ontkerkelijking van ons land maakte dat het percentage van de kerkelijke betrokkenheid van boven de tachtig naar onder de vijftig procent viel. Door tal van initiatieven, media, hulpverlening, jeugdwerk en op allerlei terreinen van het maatschappelijk middenveld vergrootte de evangelische beweging haar aandeel in de rol die de kerken als geheel in ons land spelen. Steeds beter werd zichtbaar dat het vele goede dat God aan de evangelische beweging heeft toevertrouwd niet bedoeld is om in kleine kring te worden genoten maar uitgedeeld, doorgegeven. Dat besef en dat nieuwe zelfbewustzijn maakte dat er overkoepelende verbanden kwamen. De Evangelische Omroep zette in op ‘de oecumene van het hart’ en benadrukte daarmee dat kerkelijk onderscheid tussen orthodoxe, evangelische christenen geen feitelijke scheiding meer mag en kan betekenen. Nieuwe fusies van kerkverbanden ontstonden: de ABC gemeenten, de Verenigde Pinkster en Evangeliegemeenten en andere vormen van broederschap, samenwerking en fusie. Uit alles is zichtbaar dat dit een tijd is waar binnen kerken de bereidheid groeit om tot een gezamenlijke missionaire agenda te komen en detailverschillen achter zich te laten. Internationaal hebben zowel de Pinksterbeweging als de evangelische beweging ook het contact met de Rooms Katholieke Kerk geopend. Wat de evangelische beweging betreft is daar een mooi rapport uitgekomen ‘Koinonia’ – over de aard en de opdracht van de gemeente. Toen het bestuur van de Evangelische Alliantie enige tijd geleden een eerste gesprek over dat rapport had met (onder meer) Monseigneur Jan van Burgsteden en Kardinaal Simonis zei de laatste: ‘Het moet gaan over de Kerk.’ Niet omdat we het daarover eens zijn, en ook niet met het doel om naar een grijze middenpositie te zoeken. Een goede dialoog brengt ook de verschillen aan het licht. Dat is een spannende benadering: je hoeft het niet eens te zijn om een te zijn. Wie dit prachtige boekje van de kardinaal over het gebed des Heren leest, wie zijn passie voor evangelisatie en jongeren kent en van nabij gezien heeft, weet en ervaart van die eenheid die er bij alle verscheidenheid is.

Op conferenties en landelijke samenkomsten worden vertegenwoordigers van andere kerken uitgenodigd om het woord te voeren. Het thema daarbij is doorgaans verbondenheid en gemeenschappelijk optrekken – niet terugblikken of scherpslijperij over verschillen. Dat is goed en hoopgevend. Binnen het protestantisme, en ook binnen de evangelische beweging die daar een deel van is, zijn we de laatste paar honderd jaar veel te gemakkelijk omgegaan met de eenheid van de gemeente van Christus. Het is goed dat die oude wonden worden benoemd en geheeld, zodat er nieuwe gezondheid en kracht ontstaat. Wie een diep proces van verzoening heeft meegemaakt weet dat aan een openbare schuldbelijdenis, aan het wederzijds betuigen van een nieuw hervonden liefde en broederschap, een lang en diep proces vooraf kan gaan. Over die weg en die prijs van eenheid nu een paar gedachten.

Verscheidenheid behoeft ons niet te scheiden.
Wie het Nieuwe Testament oplettend leest ziet bij elk van de evangelisten andere accenten. Natuurlijk verkondigen ze geen verschillende Christussen, maar de kennis, die wij op grond van de Bijbel van Christus hebben, heeft al die verschillende invalshoeken nodig. Ze vullen elkaar aan, en roepen soms ook een spanning op, waar we doorheen moeten om tot beter en dieper begrip te komen. Natuurlijk vind je bij Paulus andere accenten dan bij Petrus. (De crisis tussen die twee is overigens een boeiend voorbeeld van christelijke leiders met zeer fundamentele meningsverschillen, die elkaar toch vastgehouden en hervonden hebben.) Johannes is weer anders dan die beiden. Het zou goed zijn als we die verschillen in het oog krijgen en als we leren om ze te vieren in plaats van ze te verdoezelen. De rustige vanzelfsprekendheid waarmee de canon verschillende etnische, culturele, theologische en intellectuele achtergronden van schrijvers rustig naast elkaar laat staan – omdat ze elk op hun eigen wijze overstegen en doordrenkt worden door de kennis van Jezus Christus – is heel wat volwassener dan het moderne gelijkheidsdenken, dat er van uit gaat dat dingen alleen één kunnen zijn als ze allemaal hetzelfde zijn. God is de Schepper van een paar miljard unieke mensen. Wie liever met identieke legoblokjes werkt, moet niet bij God zijn, maar ergens in een fabriek in Denemarken.

Soms botsen persoonlijkheden harder dan overtuigingen.
In mijn werk heb ik mijn portie van conflicten tussen christenen, organisaties en kerken helaas meegemaakt. Toch durf ik de stelling wel aan dat de zakelijke aspecten van die conflicten sneller, dieper en beter kunnen worden opgelost als de persoonlijke relaties gezuiverd en genezen zijn. Veel zogenaamde conflicten over theologie en beleid zijn op een dieper niveau botsingen tussen mensen met conflicterende persoonlijkheden, die pogen om tot elke prijs hun gelijk te halen of hun zin door te drijven. Sektarische acties om niet het geheel maar een deel van de gemeente of een deel van de agenda alle aandacht te geven. Het beter denken over en omgaan met conflicten is een ontwikkeling waarvan ook de kerk in onze tijd gelukkig profiteert. Zindelijker en zuiverder, en daardoor ook eerlijker en persoonlijker naar dingen kijken en tot oplossingen komen. Het is niet toevallig dat Paulus, in een gedeelte over de eenheid van de gemeente spreekt over bescheidenheid, zachtmoedigheid, geduld en verdraagzaamheid (Efeziërs 4:1-6). Eenheid heeft niet alleen met goede theologie en de juiste afspraken te maken, maar misschien nog wel veel meer met de juiste geestelijke instelling.

Verzoening is een vergeten bediening van de Kerk.
Er zijn nogal wat kerken waar ‘de bediening van de verzoening’ waar Paulus in 2 Korinthiërs 5 over spreekt geheel en al wordt geduid als de verkondiging van het heil in Christus – en dan doorgaans vooral aan ongelovigen. Ooit had de Kerk daar een veel bredere kijk op: men kende zelfs het ambt van verzoener – dat waren volwassen christenen die op grond van de verzoening van Christus binnen de gemeente, maar ook in stad en land werkzaam waren om mensen die conflicten hadden, weer bij elkaar te brengen. Conflicthantering, mediation, en dat met een Bijbelse spits. Ongetwijfeld liggen hier grote kansen voor de gemeente, maar we doen er beter aan eerst naar onszelf te kijken: wordt de verzoening in Christus op alle terreinen van de gemeente toegepast, halen wij eruit wat erin zit? Het gaat er niet om één mening de boventoon te laten voeren of een bepaalde aanpak door te drukken. Het gaat erom dat mensen van harte de eenheid ervaren met elkaar, juist op momenten dat er veel dingen zijn waarover ze het niet eens zijn. Eenheid in Christus tilt onze verbondenheid naar een hoger niveau en toont juist daardoor op hetzelfde moment de relatieve (on)belangrijkheid van dingen waar we het niet over eens zijn.

Je kunt naar verzoening verlangen zonder te vinden dat je ongelijk hebt.
De scheiding die samengaat met niet opgeloste conflicten brengt ons in een isolement. Het verlangen naar vroeger, naar betere tijden, is dan heel normaal. Veel mensen weten niet hoe ze een weg van verzoening op moeten gaan omdat ze eerst hun gelijk zeker willen stellen – en dat lukt doorgaans niet. Let dan op hoe Jezus hierover spreekt. Hij noemt de mogelijkheid ‘dat je iets hebt tegen je broeder of zuster’ en de mogelijkheid ‘dat je broeder of zuster iets tegen jou heeft’. Beide zijn voldoende aanleiding om verzoening te zoeken, en de vraag of het allemaal terecht is dat jij iets tegen de ander hebt of de ander tegen jou wordt niet diepgaand uitgewerkt. Kennelijk is ook daar het hervinden van een gemeenschappelijke basis van het allergrootste belang.

De Bijbelse liefde die tot eenheid leidt is wel zachtmoedig maar niet weekhartig.
In deze tijd wordt het woord ‘liefde’ vaak vanuit een romantisch levensgevoel ingekleurd. Maar wie alleen romantische liefde tot z’n beschikking heeft om eenheid te bewerkstelligen komt niet ver. Het is de Agapè  - de liefde waarmee God zichzelf aan een gebroken wereld geeft – die wij nodig hebben om tot echte eenheid te komen. Dat wil zeggen: mensen die verlangen naar eenheid zijn bereid de minste te zijn, te dienen, als eerste een stap naar de ander te nemen. Kortom ze zijn bereid als Jezus te zijn.

Eenheid die voortkomt uit de liefde van God is levend en aantrekkelijk.
Juist omdat christenen hoge idealen en pretenties hebben op het gebied van liefde en eenheid, juist daarom is de ontgoocheling van mensen die met ruzie uit de kerk verdwijnen dubbel groot. Ruzie op zich is al pijnlijk, maar het onvermogen er overheen te komen, terwijl we samen belijden vervuld en geïnspireerd te zijn van de liefde van God, is schrijnend. Het antwoord op zulke problemen is niet te vinden in een structuur die mensen op een nieuwe wijze samenbrengt. Het antwoord ligt veeleer in een hernieuwing van onze waardering voor medechristenen. Het kan geweldig helpen om de kerkgeschiedenis te lezen, en biografieën van allerlei bekende en onbekende gelovigen. Om door de filters van tijd en omstandigheden heen de grote lijn duidelijk te zien: hoe God in alle tijden in alle landen mannen en vrouwen roept en inschakelt. Bezoek aan, en samenwerking met christenen in andere kerken doet misschien nog veel meer. Het kan ook helpen te bedenken dat de Kerk in de Bijbel niet alleen een gezin of een lichaam wordt genoemd – intieme beeldspraken die warme gevoelens oproepen. We maken ook deel uit van een Koninkrijk, worden uitgezonden en ingezet als een leger, lijden verliezen en hebben slachtoffers te betreuren. We zijn weliswaar Gods kinderen, maar de Kerk is niet zijn crèche. Er moet gewerkt, gestreden, gezocht, gestudeerd worden. Alle neveneffecten ervan zullen dus ook in de Kerk te vinden zijn – net als in de rest van de wereld. Je kunt er moe, verward, gedesoriënteerd, angstig of uitgeput door raken. En dat is niet slecht, dat hoort er gewoon helemaal bij. Ook daar moeten we oog op houden: dat de kerk er is voor de heerlijkheid van God en niet als plezierig tijdverdrijf voor christenen. God roept ons en zendt ons uit. Omdat het dringend nodig is, niet perse omdat wij het leuk of aangenaam vinden. Ook die noties van stevigheid en stoerheid mogen benoemd worden als het om liefde gaat: het is volwassen liefde; de liefde van de menswording en van het kruis.